HOME

 NIEUWS
Nieuws
Agenda
Nieuwsbrieven

 ZOEKEN
Archievenoverzicht
Zoeken in archieven
DTB
Kranten
Beeldbank
Bibliotheek

 ORGANISATIE
Adresgegevens
Werkgebied
Bestuur, medewerkers
Beleidsstukken
Jaarstukken

 DIENSTVERLENING
Reserveren stukken

 LOKALE HISTORIE

 KROMME RIJN
   SYMPOSIUM


 VRIEND WORDEN?

 LINKS




Schalkwijk



vorige

 



volgende
Het begin
Na de bedijking van de Lek en de afdamming van de Kromme Rijn in 1122 bij Wijk bij Duurstede was de weg vrij om de moerasachtige wildernis in de laaggelegen gebieden te gaan ontginnen. De redenen daarvoor waren de behoefte aan agrarische grond door de bevolkingstoename en het genereren van meer inkomsten voor de Utrechtse bisschop. De bisschop was als landsheer eigenaar van de meeste wildernis. Al snel na de afdamming werd begonnen met de werkzaamheden, die door de bisschop aan verschillende partijen werden uitbesteed via zogenaamde copecontracten. Voor de ontginning van het enorme gebied tussen Houten en ’t Goy in het noorden en de reeds ontgonnen strook achter de Lekdijk van Honswijk/Tull in ’t Waal in het zuiden werden drie gegraven afwateringen benut. De Houtense/Goyerwetering ligt in het noorden en moet het grondwater van de hogere delen afvoeren. De Schalkwijkerwetering werd in het midden aangelegd en fungeerde als deelgrens van de ontginningen. Vanuit deze wetering werd naar het noorden en het zuiden gewerkt. De Waalse-/Tullse-/Honswijkerwetering vormde de zuidelijke grens van het ontginningsgebied en was de achterwetering van de strook elfde-eeuwse ontginningen langs de Lekdijk. De weteringen komen uit op de Vaartse Rijn die in 1127 was gegraven om Utrecht met de Lek te verbinden, nadat de Kromme Rijn als verbinding was geblokkeerd.
Het ontginningsproject werd in etappes uitgevoerd. Het middenstuk met de polders Bieshaar en Tetwijk werd als eerste ontgonnen en is de plek waar het dorp Schalkwijk ontstaat. Nadien werden de oostelijke (Goyerveld, Tuurlaak, Kanenbroek en Blokhoven) en westelijke gebieden (Waalseveld of Rietveld en Vuilkop) ontgonnen. Alle gebieden werden onderdeel van het gerecht Schalkwijk, uitgezonderd Vuilkop.
De naam Schalkwijk is afgeleid van woonplaats (wijk) en dienaar (schalk). Bekend is dat de burggraaf van Utrecht, een zekere Arnold, als contractant betrokken was bij de ontginningen. De burggraaf was een dienaar van de bisschop en verantwoordelijk voor de militaire organisatie van de stad Utrecht. Zijn nazaten beginnen zich te tooien met de achternaam Van Schalkwijk en bewonen het kasteel Schalkwijk dat in de ontginning werd gebouwd. Zij waren heer van het gebied.

Kastelen
Vanaf 1250 is er sprake van een kasteel. Dit kasteel stond mogelijk westelijker dan het kasteel Schalkwijk waarvan de restanten nog aanwezig zijn. Het eerste kasteel is waarschijnlijk tijdens de Vlaams-Hollandse oorlog van 1304 afgebroken als gevolg van het verlenen van steun aan Jan van Renesse door de kasteelbewoners. Deze kwamen samen met Jan van Renesse om, toen deze met zijn legermacht de Lek overstak naar Beusichem en daar door Jan van Culemborg met zijn soldaten werd opgewacht. Opvallend is dat kort daarna Jan van Culemborg voor de helft heer is van Schalkwijk en Schalkwijk deelt met Berend van Schalkwijk. Deze Berend was in financiële moeilijkheden en verkocht het gerecht, om kort daarna weer te verwerven en te verkopen aan de heer van Culemborg. Vanaf die tijd zijn de heren van Culemborg heer en meester in Schalkwijk.
De tweede plek van het kasteel ligt langs de huidige spoorlijn Houten-Culemborg en is herkenbaar gemaakt door het uitgraven van de slotgracht. Het kasteel werd erkend als ridderhofstad. Adriaan Ram kocht het goed in 1633 en enkele jaren later de ambachtsheerlijkheid van de heren van Culemborg. Als devoot katholiek stelde Ram zijn slotkapel beschikbaar als schuilkerk. De Staten van Utrecht kwamen hier achter; ze lieten Ram in 1651 arresteren en sloopten de toren waarin de schuilkerk was ondergebracht. In de achttiende eeuw verviel het kasteel en aan het einde van die eeuw is het gesloopt.
Een ander kasteel in Schalkwijk lag bij Honswijk aan de Achterdijk (nummer 7). Hier stond kasteel Blokhoven. Restanten van het verdwenen bouwwerk zouden nog in het muurwerk van boerderij Blokhoven bewaard zijn gebleven. Ten noorden van Schalkwijk heeft in de ontginning Bieshaar kasteel Markenburg gestaan, dat reeds in 1355 werd afgebroken.
In de ontginning Waalse veld of Rietveld aan het Neereind staat nog de ridderhofstad Vuylcoop. Vuylcoop is rond 1300 gebouwd als woontoren, groeide uit tot een buitenplaats in de zeventiende eeuw, maar werd rond 1800 weer ontdaan van zijn toevoegingen. De boerderij van de ridderhofstad staat nog wel bij de woontoren. Deze bestond al zeker in 1626 en is nagenoeg onveranderd is gebleven.

Dorp: bestuur en ontwikkeling
Onder leiding van de heer van Culemborg werd in 1451 het schepenrecht ingevoerd. Schalkwijk is daarmee het eerste gerecht binnen het Sticht dat van burenrecht overstapte op schepenrecht. In Schalkwijk wisselden de heerlijke rechten na verkoop in 1633 door de heren van Culemborg vele malen van eigendom. Tot de Franse Tijd bepalen de ambachtsheren of –vrouwen de benoemingen van schout en schepenen. Nadien zijn de rechten niet meer geldig, maar de titel wordt nog steeds gevoerd. Vanaf 1811 tot 1962 was Schalkwijk een zelfstandige gemeente. Het dorp en omliggend gebied vallen thans onder de gemeente Houten.
Schalkwijk is voortgekomen uit lintbebouwing aan de kop van de ontginningskavels aan weerskanten van de Schalkwijkerwetering. De kerkstichting vond al vrij snel na de ontginning plaats. Bij de kerk ontstond een brink die niet op een kruispunt van wegen lag, maar gewoon onderdeel vormde van de lintbebouwing. De lintbebouwing is zeer langgerekt en in de negentiende eeuw volgde verdichting zonder dat het open karakter verloren ging. Een ingrijpende infrastructurele ingreep was de doorsnijding van het bebouwingslint bij de oude kerk door de spoorlijn Houten-Culemborg in 1866. Op de groei had deze aanleg geen effect, Schalkwijk bleef zich in hetzelfde langzame tempo ontwikkelen. Nieuwe gebouwen die de dorpssilhouet gingen domineren door hun monumentale grootte waren de katholieke Heilige Michaelskerk en het Canisiusgesticht uit 1879. In de jaren veertig van de twintigste eeuw werden plannen gemaakt om een echte kern te ontwikkelen. Dit is slechts deels gerealiseerd door nieuwbouw aan de Wickenburghselaan en ten westen daarvan.